Richteren 6 vs 1-24

Verdrukking door Midian
1 Maar de IsraŽlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen over in de hand van Midian, zeven jaar. 2 Toen Midian de overhand kreeg over IsraŽl, maakten de IsraŽlieten vanwege Midian voor zichzelf de holen gereed die in de bergen zijn, en de grotten en de bergvestingen. 3 Want het gebeurde, telkens als IsraŽl gezaaid had, dat Midian optrok. Ook Amalek en de mensen van het oosten trokken tegen hen op. 4 Dan sloegen zij hun kamp tegen hen op en deden de opbrengst van het land teniet, tot waar men bij Gaza komt. En zij lieten in IsraŽl niets over om van te leven: geen schaap, geen rund en geen ezel. 5 Want zij trokken op met hun vee en hun tenten: zo talrijk als sprinkhanen kwamen zij, zodat men hen en hun kamelen niet kon tellen. En zij kwamen in het land om dat teniet te doen. 6 Zo verarmde IsraŽl zeer vanwege Midian. Toen riepen de IsraŽlieten tot de HEERE. 7 En het gebeurde, toen de IsraŽlieten vanwege Midian tot de HEERE riepen, 8 dat de HEERE een man naar de IsraŽlieten zond, een profeet, die tegen hen zei: Zo zegt de HEERE, de God van IsraŽl: Õk heb u uit Egypte doen optrekken en u uit het slavenhuis geleid. 9 En Ik heb u gered uit de hand van de Egyptenaren en uit de hand van ieder die u verdrukte. En Ik heb hen van voor uw ogen verdreven en hun land aan u gegeven. 10 En Ik zei tegen u: Ik ben de HEERE, uw God! Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land u woont. Maar u hebt niet naar Mijn stem willen luisteren.

Gideon tot richter geroepen
11 Toen kwam een Engel van de HEERE. Hij nam plaats onder de eik die bij Ofra is, die aan de AbiŽzriet Joas toebehoorde. En zijn zoon Gideon klopte tarwe uit in de wijnpers om die voor de Midianieten te verbergen. 12 Toen verscheen de Engel van de HEERE aan hem en zei tegen hem: De HEERE is met u, strijdbare held! 13 Maar Gideon zei tegen Hem: Och, mijn heer, als de HEERE met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? En waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaderen ons verteld hebben, toen zij zeiden: Heeft de HEERE ons niet uit Egypte doen optrekken? Maar nu heeft de HEERE ons verlaten en ons in de hand van Midian gegeven! 14 Toen wendde de HEERE Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult IsraŽl uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden? 15 Maar hij zei tegen Hem: Och, mijn heer! Waarmee zal ik IsraŽl verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie. 16 Maar de HEERE zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof het maar ťťn man was. 17 En hij zei tegen Hem: Als ik dan genade gevonden heb in Uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent Die met mij spreekt. 18 Ga toch niet vanhier weg, totdat ik weer bij U kom en mijn geschenk naar buiten heb gebracht en U heb voorgezet. En Hij zei: Õk zal blijven tot u terugkomt. 19 Gideon ging naar binnen en maakte een geitenbokje klaar, en ongezuurde broden van een efa meel. Het vlees legde hij in een mand en het kooknat deed hij in een pot. Vervolgens bracht hij het naar buiten, bij Hem onder de eik, en bood het aan. 20 Maar de Engel van God zei tegen hem: Neem het vlees en de ongezuurde broden en leg ze op die rots en giet het kooknat eroverheen. En zo deed hij. 21 Toen stak de Engel van de HEERE het uiteinde van de staf uit, die in Zijn hand was, en raakte het vlees en de ongezuurde broden aan. Daarop steeg er vuur op uit de rots, dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Toen was de Engel van de HEERE uit zijn ogen verdwenen. 22 Toen zag Gideon dat het een Engel van de HEERE was. En Gideon zei: Ach, Heere, HEERE! Daarom, omdat ik een Engel van de HEERE heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, zal ik sterven! 23 Maar de HEERE zei tegen hem: Vrede zij met u! Wees niet bevreesd, u zult niet sterven. 24 Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de HEERE en hij noemde het: De HEERE is vrede! Het is er nog tot op deze dag, in het Ofra van de AbiŽzrieten.